Wiesje (07-05-2020)

Het was de vroege avond, rond half acht, het stof wolkte op achter Wiesje die langs ons over het bospad stoof. 
Ik dacht terug aan de regenachtige zondagmiddag dat we haar op hadden gehaald, het was 16 februari, precies een maand voor de vergrendeling. De heenreis naar Friesland had lang geduurd, onderweg moesten we de snelweg af omdat het zo hard regende dat de ruitenwissers de stroom niet aankonden. Op een parkeerplaatsje keken we naar de vlakke weilanden die blank stonden. Eenmaal bij de afgelegen boerderij aangekomen klom meteen een zwartwit mormeltje op mijn schoot, ik vroeg aan de fokster welke van de krioelende pups voor ons bestemd was. 
'Die je nu vasthebt,' zei ze.
Ik tilde Wiesje de lucht in en zei: 'Jij bent van ons.'
Ze was geboren op deze plek op kerstavond 2019, een paar dagen nadat wij driehonderd meter verderop afscheid hadden genomen van Marie. Dat vond ik een mooie gedachte.
We namen haar mee en toen vier weken later het land op slot ging was ze net drie maanden oud. Een wollige pup met een te groot vel waar ze nog in moest groeien. Ze deed nog steeds niets liever dan zich tegen een van ons aannestelen als een baby en we grepen het dankbaar aan, niets dat zo troostend werkt tegen angst en onzekerheid als de genegenheid van een jong wezentje dat nergens weet van heeft en alleen maar geliefkoosd wil worden.
En nu is ze vijf maanden. Een echte hond ineens, een stevige kop, lange poten, het puppydons is weg. Ze is ondeugend, pikt de koekjes van de tafel, heeft al twee paar schoenen opgegeten. Soms ben ik haar kwijt, dan vind ik haar buiten in de hangschommel van de jongste of parmantig op een van de tuinstoelen.
'Alles lijkt ineens anders,' zei ik tegen W.
We keken naar Wiesje die door het net gemaaide gras rende, af en toe nam ze een hap vers hooi in haar bek en sleepte het een stuk met zich mee. Het fluitenkruid bloeide opgetogen in grote, witte wolken langs de slootkant, hier en daar een pinksterbloem in zacht lila, vlagen met boterbloemen. De kleuren leken frisser, glanzender dan ik ooit gezien had. De lucht is klaarder, de dagen helder en scherp. Alles tekent zich bijna lichtgevend af.
Ik weet de hele tijd niet of ik het me inbeeld, misschien wil ik het graag zien. De lagere uitstoot van CO2, geen vliegverkeer, de industrie van het Ruhrgebiet die minder uitstoot waardoor er minder vervuiling is in onze regio.
W zweeg even.
'Misschien is het de naderende vrijheid,' zei hij toen.
Misschien was dat zo. Sinds de aangekondigde versoepeling is er iets van mijn borst gevallen. Hoewel ik nog steeds bezorgd ben over veel dingen, lijkt het alsof ik beter adem kan halen nu de sterftecijfers dalen en het risico afneemt. In alle schoonheid die zich nu openbaart lijkt de wereld weer meer van mij te worden.