Wie sjoon (03-12-2015)

In de zwembadkantine zit iedere week dezelfde groep senioren. Aan de grote ovale tafel in de donkerste hoek strijken ze neer na hun zwemuurtje, sportieve fleecetruien aan, natte grijze haren.  Ze drinken koffie en thee, en als er iemand jarig is een borrel. Er zijn altijd veel jarigen, dan wordt er galmend en vol overgave gezongen.
Vandaag was er niemand jarig, maar er was wel een feestelijke gelegenheid. Uit volle borst zetten ze het oude Limburgse lied Wie sjoon in. Ik luisterde mee, vanaf mijn vaste plek aan het raam, met zicht op het pierebad. Het lied weerkaatste tegen de grove bakstenen muren van de sfeerloze kantine, de barman stopte even met glazen spoelen. Uit de hoeveelheid oude stemmen hoorde ik hoe één stem zich losmaakte, een breekbare man, zijn hoofd spits en gerimpeld. Luid steeg zijn stem boven alles uit, een bassende bariton, met een lichte kraak. Wie sjoon, wie sjoon, wie sjoon, dae man krieg ein medalie, dae löp noch langs zien sjoon. Tussen alle Limburgse zachte G's klonk zijn G hard, zijn uitspraak van de woorden verraadde dat hij niet van hier was. Wie sjoon wie sjoon wie sjoon, det waas toch gaer gedaon, det hat g'r gaar neet hoove doon.
Zijn stem klonk nog na terwijl de hele groep het glas al hief. Langzaam, een beetje plechtig, tilde hij zijn glas in de lucht. In zijn felle blauwe ogen zag ik trots. Wie sjoon, wie sjoon.