Wandelberichten 2 (12-06-2018)

Als je op De Lanck helemaal doorrijdt, kom je bij De Duitse bos. Dat is een prachtig gebied, het pad vormt er de grens tussen Duitsland en Nederland, de hoogteverschillen zijn adembenemend. Maar omdat ik er aan de Duitse, woudachtige kant steevast verdwaal ga ik liever richting het Blanke Water, ik hou van het open veld waar ik van me af kan kijken.
Er hangt een geelgrijze onweerslucht in het zuidwesten, de zwaluwen vliegen laag, uit de weides en bermen komt de geur van duizendblad, boerenwormkruid. Het ven tussen de weilanden schijnt stralend blauw, ik zou er zo graag eens gaan kijken, maar aan alle kanten staat prikkeldraad.
Het water aan de andere kant van het pad heb ik in de afgelopen jaren zien verdrogen, een jaar of tien geleden heb ik er nog geschaatst, nu heeft het riet de overhand, het is hooguit nog een moeras. Als ik er langs loop ploppen de kikkers van de oever de ondiepe geultjes in, hun benen traag gestrekt als ze wegzwemmen.
Ik kom hier iedere week wel een paar keer, in de hoge zomer, als het zand voor mijn voeten opstuift, in de winter als de akkers kaal zijn. Soms moet ik tijdens mijn wandelingen denken aan Het verhaal van mijnheer Sommer, het boek van Patrick Süsskind. Mijnheer Sommer loopt elke dag met zijn wandelstok door het landschap en niemand weet waarom.
Ik wandel langs de kudde koeien, de modder op het pad is ingedroogd, de grond gescheurd. Twee kieviten schreeuwen naar me, ze duikvluchten om me heen, zo dichtbij dat ik de luchtverplaatsing van hun vleugels kan voelen. De onweerslucht is weggetrokken, de zon schijnt op de bosrand, ik kijk naar de Duitse heuvels, de blauwe lucht erachter.