Vrij (08-01-2016)

Ik groeide op in de jaren tachtig en negentig. De jaren waarin het ideaal van de Westerse vrijheid voor vrouwen misschien wel zijn hoogtepunt vierde. Onafhankelijkheid was het grootste woord, gelijkheid het hoogste goed, de vrouw als vrijgevochten mens die haar mannetje stond, in een minirok en naveltrui. In de utopie deed niemand haar wat, ze danste op straat in het holst van de nacht en de man keek begerig maar met de handen op de rug toe.
Ik groeide op in de jaren tachtig en negentig. Ik ging uit in de stad, naar kroegen, in korte jurkjes, mijn benen lang en bloot. Maar om er te komen werd ik gebracht door mijn ouders. De weg van het dorp naar de stad ging door eindeloze weilanden en was lang en eenzaam, langs bosjes vol heimelijk gespuis. In het holst van de nacht werd niet gedanst op straat, maar wachtte de zilverblauwe familieauto. Die mijn blote benen opsloot in veiligheid, ver weg van de mannen die weliswaar begerig toekeken, maar hun handen nooit op hun rug hadden.
Ik groeide op in de jaren tachtig en negentig. Waar vrouwen in hun hoofd alles konden, ze onafhankelijk waren en gelijk. 
Waarin ze heel even dachten dat ze vrij waren.