Mals (26-03-2020)

Ik heb niet veel affiniteit met het concept eten.
Ik houd niet van eten in gezelschap, ik houd er niet van om andere mensen te zien eten en als ik alleen op de wereld zou zijn zou ik het hoogstwaarschijnlijk totaal vergeten. Op zeldzame dagen dat mijn gezin niet thuis is ontbijt ik ergens laat in de middag met een zak chips, en dat is dan een goede dag.
Desondanks betrapte ik mezelf in de eerste quarantaineweek op iets vreemds: ik was angstig dat ik niet genoeg eten in huis had. De dreiging van hongersnood, en dat we over drie jaar, als het virus eindelijk eens uitgewoed zou zijn, knipperend naar de zon uit ons huis zouden strompelen, mijn kinderen bleek en uitgemergeld, met van die ribbetjes.
Dat schenen meer mensen te hebben en het is evolutionair heel verklaarbaar, maar ik vond het vervelend en gênant.
Blijkbaar houd ik er gewoon niet van om met mijn instincten geconfronteerd te worden.
Waar ik in die eerste dagen nog het meest over inzat waren niet de kinderen, dat was eigenlijk de pup. Wiesje is een week of veertien en heeft altijd honger. Per dag kan ze zo ongeveer haar lichaamsgewicht aan brokken vreten, met grote, schrokkende halen, haar nek gestrekt. En als het op is kijkt ze me verlangend aan, of er niet nog wat kan doorkomen. Hoe moest dat nu als de brokken schaars werden? Het leed van een zienderogen vermagerende jonge hond, ik zag het voor me, wat een marteling.
Om mijn onrust weg te nemen kocht ik bij de dierenwinkel een reusachtige zak puppyvoer, voor puppy's tot in het einde der tijden, daarna was ik weer kalm. 
'Als er echt een hongersnood komt, zou je Wiesje ook op kunnen eten,' opperde iemand, toen ik vertelde over mijn voedselbezetenheid.
Een jonge hond, draaiend aan het spit boven de vuurplaats achter in de tuin.
Het zal wel lekker mals zijn.