Intermezzo (16-04-2020)

Gisteravond tegen zevenen liepen we een klein rondje in het natuurgebied vlak bij de Duitse grens. Het is een van mijn lievelingsgebieden, de Duitse Berg die oprijst in de verte, de velden waar ik goed van me af kan kijken, ik hou van vertes, meer dan van bos. Het fluitenkruid bloeide al en op de akker waar we langsliepen waren verse aardappelbedden gemaakt. De pup sprong in de stuivende aarde van bed naar bed, ik riep haar terug.
Dit was waar ik zo naar verlangd had toen Marie was gestorven, een hond die voor ons uitrent, weer wandelen, en nu was het er dan.
We liepen met z'n vieren, ons complete gezin, net zoals we al bijna vijf weken met z'n vieren in huis zitten. De laatste tijd realiseer ik me steeds meer dat het ondanks alles misschien een klein cadeautje is, deze periode. Bij de oudste dochter van vijftien had voor de vergrendeling al een poosje de vrijheidsdrang ingezet, ze ging haar eigen gang, bemoeide zich weinig meer met ons. In vakanties zagen we haar amper, had haar bijbaantje, doordeweeks was ze op school, maakte ze huiswerk of was bij vrienden. Ze heeft een autonome ziel maar het is ook zoals het hoort te gaan, een natuurlijk verloop van het leven.
En nu is ze thuis. Ze gaat nog steeds haar eigen gang, maar in de onthaasting is er rust en ruimte voor gesprek, we tafelen lang na, zitten soms een poosje in de tuin, bespreken de boeken die ze leest of de dingen die haar bezighouden. En ik besef dat we dit nog even in de schoot geworpen krijgen voordat ze straks echt los zal komen. 
Een intermezzo van nabijheid, zo omhuld als dit wordt het misschien nooit meer.
Ik liep achteraan, mijn man en dochters voor me, de zon maakte lange schaduwen op het pad. Het was stil, geen mensen, geen auto's, geen vliegtuigen, de lucht was strakblauw, helderder dan ooit, lichter ook. Ik floot, de pup rende nieuwsgierig op me toe, streek even met haar kop langs mijn blote benen.
Het virus was ver weg, daarachter, in de bewoonde wereld, hier was heel even niets.