Gele orgaantjes (09-09-2016)

Het jongetje dat voor me fietste had opgeschoren haren en was mallorcabruin. Hij droeg, ondanks de grijze ochtend, een shirtje zonder mouwen. Op het shirtje stond een tafereel afgebeeld; ontelbare minions (mimions, zegt mijn jongste altijd, met licht afgrijzen, ze is als de dood voor mimions) die op een helderwit strand lagen, daarachter de zee, van een ongeloofwaardig azuurblauw.
Er zat een diepte in de afbeelding, en het zal vast ook de synthetische glans in het shirt zijn geweest, waardoor ik heel even dacht dat het strand diep in de jongen doorliep, en de minions in hem zaten, als een soort gele orgaantjes, een wonderlijke trompe l'oeil.
Toen mijn ogen zich weer scherp hadden gesteld en het bij nader inzien toch een gewoon tweedimensionaal kledingstuk bleek te zijn, voelde ik me een beetje gek. Zoals ik me ook wel eens gek kan voelen als ik een grappig verhaal sta te vertellen maar dat er dan niemand lacht. Of als ik een gesprek met de hond voer en dat er dan iemand achter me blijkt te staan die alles gehoord heeft.
Zo'n treurig alleen-op-de-wereld-gek. 
Ik wil in zo'n gevallen altijd roepen dat ik niet raar ben. Dat dat shirt echt vertekende, dat mijn verhaal wél grappig was en dat ik echt niet de enige ben die met de hond praat. Maar dat is alleen maar een wild overschreeuwen van een diepe, schaamtevolle angst. De angst dat ik wel gek ben.