Fourageren (09-05-2020)

Er lag een dood ree in het veld. Ik vond het vreemd, een dier dat van ouderdom sterft kruipt weg onder struiken of bosjes, het moest aangevallen zijn, maar daarna niet opgevreten. Het deed me denken aan nieuwsjaarsdag 2019 toen ik niet ver van waar ik nu liep een stervend jong zwijn vond. Ik stond daar een poosje bij, ik was op dat moment intens verdrietig over iets wat net gebeurd was, het was de derde keer dat ik in het ravijn was gevallen en het enige dat ik deed was uit alle macht proberen om tegen de rostwand omhoog te klimmen, mijn knokkels vol bloed.
Het zwijn keek me aan met zijn zwarte oog en er was niets dat ik kon doen behalve toekijken hoe het langzaam de geest gaf, ik balde mijn ontvelde vuisten samen.
Het ree lag nog helemaal intact in het gras, verderop hoorde ik een koekoek, alles floot, de jonge kikkers in de poel kwaakten zo hard dat het geluid als een grote, langgerekte ruis over het land gleed. Ik keek naar de hoeven, de vacht, het stille lichaam, de nek gestrekt, alsof het midden in de loop was neergevallen.
Ik liep voor het eerst in bijna acht weken het grote rondje, langs het drooggevallen blankwater, bij de populieren linksaf, langs de wilg waar de bliksem tijdens een van de onweren van vorig jaar is ingeslagen. Niet meer de afgesneden route langs de beek, tussen de akkers door. Wiesje draafde met me mee, ze hield het goed vol, en ik betrapte me erop dat ik, toen ik eenmaal bij de verharde weg kwam, nog lang niet naar huis wilde. 
Het is bijna elf mei, de heropening nadert. Volgens het protocol zal mijn jongste dochter dinsdag voor het eerst weer naar school gaan. De oudste wil graag weer gaan werken, het restaurantje in het bos waar ze in de bediening loopt, gaat weer open, ze komt er graag. Ook haar school gaat snel weer beginnen, W blijft voorlopig zoveel mogelijk thuis werken maar heeft binnenkort wel weer een eerste vergadering op kantoor.
Soms denk ik aan het virus dat nog niet weg is, ik zie het voor me als een soort sprinkhanenzwerm die de wereld afgraast en ik vraag me af of het hier, op ons grondgebied, al genoeg heeft gegeten of dat het de buik nog lang niet vol heeft. Maar ik voel ook een vrijheidsdrang, mijn hoofd wordt licht bij de gedachte aan niet meer verplicht thuis zitten, ook al heb ik nog geen idee hoe het moet voelen om in een land vol nieuwe regels echt op stap te gaan, een museum te bezoeken of op een terras te zitten. 
Er komt, heel langzaam, een berusting over me. Het virus fourageert hier nog wel een tijdje, ons leven wordt er een waarin de ziekte voorlopig steeds op de loer zal liggen. De vraag is: blijf ik angstig alles mijden of ga ik een leven leiden waarin ik een ren bouw voor de ongerustheid en mezelf weer een bepaalde mate van vrijheid gun. 
De dode ree lag in de schreeuwende lente, zijn vacht waaide licht op, de lippen weken iets vaneen, de ranke poten tussen het gras. Ook al was het dood, het was nog steeds een prachtig dier. Over minder dan een dag zal er niet veel meer van over zijn dan een karkas, maar ik heb het van dichtbij mogen bekijken.