Als een heel kort leven (22-07-2018)

Ik was aan zee. De waterspiegel was glad en scheen helderblauw, maar hier in de branding, waar het zand mijn voeten in zich vastzoog, spoelden de golfjes doorzichtig om mijn tenen. Ik liep een eind dieper, precies zover tot ik mijn roodgelakte nagels niet meer kon zien, en de zee zich om mijn benen sloot. Niet blauw, niet doorzichtig, maar donker. Ik denk heel vaak dat dingen geleidelijk gaan, maar in de werkelijkheid bestaat er niet zoiets als geleidelijk. In de werkelijkheid zijn er alleen maar scheidslijnen. Het ene moment zie je je voeten nog, het andere moment niet meer.
Ik stond in de zee en ik dacht aan de kleine kampeerplek even verderop, waar ik al een week was. Aan de zilveren nachtvlinder die in de eenvoudige douche woonde en die iedere avond op hetzelfde tegeltje zat terwijl ik het strandzand van me afspoelde. Aan de surfer met de oude, verroeste camper en de blonde krullen, hij was naast me komen zitten, we stookten een vuurtje, het was al donker. Ik zag dat de uiteinden van zijn wimpers waren uitgebleekt door het zout en de zon, hij vertelde over zijn hond die aan onze voeten lag en in de vlammen staarde.
'Iedere nacht als ik slaap, kruipt hij stiekem in mijn bed, onder de dekens.'
Ik lachte en aaide de labrador, de surfer porde met een stok in de roodsmeulende houtblokken.
Ik dacht aan het jongetje, een jaar of tien was hij, dat al een week in dezelfde kleren rondliep, onrust in zijn bewegingen, een zakmes aan een touwtje om zijn nek. Hij deed er dagen over om uit een dikke tak een lepel te snijden. 
'Kijk!' riep hij trots naar me toen het gelukt was.
Ik knikte, stak mijn duim op, en hoopte heel erg dat hij op een school zat waar zijn juf zag dat lepels uit hout snijden heel erg knap is.
Het oude, Nicaraguaanse echtpaar, hij met een zilvergrijze baard, zij met gekleurde rokken tot de grond, haar haren opgestoken, blote voeten. Ze droeg een rond metalen brilletje waardoor ze me aan mezelf deed denken. Elke keer als ze me glimlachend in het Spaans groette, kraaienpootjes rond haar ogen, vroeg ik me af of ik er later uit zou gaan zien als zij.
Ik dacht aan de twee magere Franse zusjes die iedere avond hun hangmatten tussen twee pruimenbomen spanden en er de hele nacht in sliepen. Aan de paarden, twee Tinkers die onrustig hinnikten als ik langsliep en hun lippen strekten in de hoop dat ik iets lekkers voor ze had, het gras in hun wei verdord door de aanhoudende droogte.
Een week op de kleine kampeerplek, ver van alles, een week met mensen die komen en gaan, met dagen en nachten, eb en vloed, met voortschrijdende tijd, als een heel kort leven met een begin en een einde. 
Ik keek omlaag naar het water, mijn lichaam dat stopte waar de zee begon. Ik voelde hoe de golven aan mijn benen trokken zonder dat ik dat zag, het zand dat bewoog onder mijn voetzolen.
Eigenlijk ben ik bang voor de zee, voor het donker, voor wat anders is dan het lijkt, voor wat ik niet kan zien.
Ik deed mijn ogen dicht en vroeg me af of ik zou duiken.