Wandelberichten 5 (21-08-2018)

Ik ben licht obsessief van aard. (Ik twijfelde erg hoe ik deze zin in moest gaan kleden zodat het allemaal niet zo erg leek, of zelfs grappig, maar toen dacht ik: ik gooi hem er gewoon als eerste in, dan weten ze het maar vast.)
Licht obsessief zijn komt handig van pas bij bepaalde zaken, bijvoorbeeld bij schrijven. Bij bepaalde zaken ook niet, zoals, nou ja, bij schrijven. Maar dat is een ander verhaal.
Een tijdje geleden schreef ik over de kleine rivier die vlak bij mijn woonplaats uitmondt in de Maas. Toen ik er laatst stond, leunend over de reling van het bruggetje, realiseerde ik me dat waar een einde is, ook een begin moet zijn. Op internet vond ik dat de rivier 46 kilometer lang is en ergens in Duitsland ontspringt. Nog fascinerender dan riviermondingen vind ik rivierbronnen. Daar waar het water uit de aarde omhoog welt en het begin vormt van een lange stroom, mijn fantasie werkt daarvan op volle toeren.
Ik sprong in de auto en reed Duitsland in, naar de regio waar de bron ongeveer moest liggen. Het is een mooi natuurgebied, niet heel ver over de grens. Donkere bossen, dunbevolkt, velden, gehuchtjes waar de politie nog op varkens rijdt. Bij een wat slordig kasteeltje stapte ik uit, keek naar het dichte bos dat me omringde, hier moest het ergens zijn.
Ik zocht lang, liep een poos langs een kleine stroom, maar vond geen bron. Wél vond ik tot mijn grote vreugde kroosjesbomen, een oeroude pruimensoort die in Europa zelden nog in het wild gezien wordt. Helaas waren de pruimen nog niet rijp, en enigszins teleurgesteld ging ik terug naar huis. Daar wachtte ik twee weken ongeduldig, en reed toen de tweede keer Duitsland in. Weer kamde ik de bossen uit, weer vond ik de bron niet, en ook de pruimen waren nog steeds niet paars.
'Dit keer kom ik niet naar huis voor ik hem gevonden heb,' zei ik gisteren bezwerend tegen mijn huisgenoten.
Ze keken me wat zorgelijk aan.
En voor de derde keer liep ik langs het kasteel, door het bos. Het duurde lang en na een tijdje wilde ik het opgeven. Als allerlaatste poging sloeg ik een pad in waarvan ik dacht dat het volledig uit de richting lag. Er stond een bankje, een Duits echtpaar zat er uit te rusten. Ten einde raad vroeg hen of zij misschien wisten waar de bron ergens moest zijn.
'Also, hier,' zeiden ze vriendelijk, en ze wezen naast zich, naar een kei die in de grond geplant was, waarachter een kleine afgrond was, met een moeras. Er had zich een bekken gevormd met helder water.
Der Zufall is die in Schleier gehüllte Notwendigkeit.
'Hoera!' riep ik.
Toen ik tevreden terugliep door het bos waren de pruimen rijp. Ik plukte een handvol, ze waren smerig, maar thuis zou ik ze poten.
Volgend voorjaar heb ik mijn eigen kroosjesboom.
Ik ben er nog niet helemaal over uit of de inspanning opweegt tegen de opbrengst, maar misschien maakt dat ook niet uit.