Wandelberichten 11 (08-07-2019)

Maandagavond tegen achten, een uitstekende tijd om eens in het uitgestrekte natuurgebied te gaan wandelen dat helemaal aan de oostkant van de provincie ligt. Het zal er lekker rustig zijn, daar hou ik van. Ik zet de hond naast me op de bijrijdersstoel en rij de stad uit, zijn oren wapperen in de wind bij het open raam. 
Het nationale park wordt doorsneden door een kilometerslange weg waar je eigenlijk niet mag rijden, alleen bestemmingsverkeer, ik houd me daar al zo lang ik er kom netjes aan en parkeer mijn auto altijd braaf op de parkeerplaats naast een obscuur bungalowparkje.
Dat bungalowparkje is een beetje een akelig ding, er is daar ooit een moord gepleegd en hoewel ik het fijne van de zaak niet meer precies weet, herinner ik me wel nog dat het lijk gevonden is in het maisveld dat pal aan de bosrand ligt.
Maar goed. Omdat ik door een rebelse periode ga besluit ik vanavond om voor één keer niet te parkeren maar om over de verboden weg te rijden, wie doet me wat?
Onder de hoge bomen is het donker. Na een flinke poos is er een kleine inham, ik buig af en zet mijn auto in het droge, gele zand. De hond springt naar buiten en rent uitgelaten het pad op, ik ga op zoek naar het meertje waarvan ik weet dat het hier ergens moet liggen.
Pas als de jeep naast me komt rijden hoor ik hem, hobbelend over het smalle bospad, en ik sta geschrokken stil. 
'Hoi,' zegt de boswachter.
Hij is van mijn leeftijd. Niet onknap.
'Hoi,' zeg ik.
'Je weet dat je hond hier niet los mag hè,' zegt de boswachter.
Ik knik schuldbewust.
'Ja,' zeg ik. 'Sorry, boswachter.'
Het kan zijn dat ik een aantal keren met mijn ogen knipper. Misschien trek ik er ook nog een charmant gezicht bij.
'Vooruit dan maar.'
Hij glimlacht.
Ik fluit de hond en lijn hem aan. De boswachter rijdt door, ik kijk de achterkant van de jeep na en haal opgelucht adem dat ik er zo goed vanaf ben gekomen. 
Dan zie ik hoe hij stopt, amper twintig meter voor me.
Hij stapt uit.
Rommelt wat achterin de wagen.
Ik vraag me af wat hij doet.
Dan tilt hij een enorm geweer uit de auto, kijkt me aan en gooit de achterklep met een harde knal dicht.
Ik denk aan de verboden weg, mijn illegaal geparkeerde auto en de onaangelijnde hond.
Allemaal onwettig, ik wéét het, ik ben een misdadiger, maar daarvoor hoef ik toch niet neergeschoten te worden? Hier op de dorre heide, bloed in het zand, een pluimpje haren opwaaiend in de avondwind. De hond jankend naast mijn levenkoze lichaam.
So much voor mijn rebelse periode, ik ben er klaar mee en draai me om.
De weg naar mijn auto lijkt ineens lang nu ik weet dat er een man met een geweer door het bos loopt. Ik rij in vliegende vaart  terug, onder de donkere bomen door, langs het bungalowparkje.
Hoe zat het ook alweer met die moord? Was die dader eigenlijk wel ooit gepakt?
Wie zegt me dat de man in de jeep wel een boswachter was?
Ook niet-onknappe mannen kunnen moordenaars zijn!
Maar goed.
Ik heb het gered. 
Ternauwernood, dat blijkt, maar ik leef nog.