verlangen naar een onversneden leven (27-04-2018)

Onlangs bezocht ik het klooster in mijn geboortedorp. De zusters hadden me uitgenodigd omdat ik over de priorij schreef in Voorland, en op een zondagavond, na de vespers in de basiliek, werd ik opgewacht bij de uitgang. Samen liepen we in de vallende schemer naar het klooster, waar ik een rondleiding kreeg door de lange kloostergangen, na afloop hadden we een gesprek. Twee zusters in habijt tegenover me; of ik wat wilde drinken, en een koekje.

Vaak, sinds ik schrijf, overvalt me het verlangen naar een onversneden leven. Een leven waarin er maar één doel is, en alles dat je doet in het teken staat hiervan. Een passie die het bestaan doordrenkt tot in zijn verste uiteinden.

Soms zijn er vlagen in mijn schrijversleven dat ik het nader, meer dan. De verzonkenheid die zo diep is, dat ik ophoud te bestaan. Ik besta alleen nog als lichaam, mijn geest is opgelost, ik heb hem laten verdwijnen in het verhaal. Ik heb hem bevrijd. Ja, misschien is bevrijden het juiste woord.

Aan de randen van het schrijven moet er een leven geleid worden. Een lege huls als lichaam leeft ongemakkelijk. De bevrijde geest laat zich niet zomaar vangen voor een avondje met vrienden, een feestje. Soms lijkt het alsof ik met lege ogen naar de wereld kijk, en dan vullen pijn en schuld mijn holle vaten. In de bevrijding van mijn geest schuilt verholen de opoffering van mezelf, mijn leven, en alles, iedereen om me heen.

Het was donker in de koffiekamer van het klooster. Een lampje in de hoek brandde zacht. Ik leunde met mijn ellebogen op tafel en dacht na over wat de zusters mij verteld hadden. Open en vrij, hun handen gevouwen in hun schoot, een onvermijdelijkheid had in hun woorden gelegen. Mijn koekje was ik vergeten op te eten.

Het onversneden leven dat ik verlangde was niet de zuivere passie, die had ik immers al gevonden. Wat ik zocht was een leven zonder pijn en schuld.