Vergetelheid (11-09-2017)

Gisteravond laat zat ik op station Amsterdam Amstel.
Feestje gehad van de uitgeverij; biertje, hapje, blijmoedig gesprekje. ('Waarom schrijven we eigenlijk?' -'Geen idee, we zouden ons feitelijk ook meteen kunnen verhangen.')
Ik moest een poosje wachten op de trein en keek naar de mensen die uit het trappengat omhoog kwamen, hun ogen zoekend naar het juiste perron. Een jongen met een oranje baardje en in een rafelig shirt, een heer in kostuum, gladgeschoren en slank, een oude moslima met een rolkoffertje. In het gele licht leek iedereen vaal en moe, ik vroeg me af of men dat ook van mij dacht en legde mijn handen voor de zekerheid tegen mijn wangen.
Een man kwam voorbij, snel, met brede bewegingen, zijn jas vloog achter hem aan en hij trok gehaast aan zijn sigaret. Mijn blik viel in de zijne en dacht: ik ken hem.
Tot twee keer toe keken we elkaar aan, kort, onderzoekend, maar zijn trein rolde binnen en hij stapte in.
Het zijn deze stille gebeurtenissen waarin de vergetelheid onontkoombaar besloten ligt. Ik zou een paar minuten later opstaan, de deuren van mijn trein zouden zich openen en ik zou gaan zitten. Ik zou via het zwarte raam naar mezelf in de bijna lege coupé kijken en de man in de vliegende jas zou met elke voortrazende kilometer meer ophouden te bestaan. Om ruimte te maken voor nieuwe mensen, nieuwe gezichten, even kort, even snel.