Van buiten, van binnen (01-07-2017)

Net over de grens ligt een kleine stad. Het is een typisch Duits stadje; twee ijswinkels, twee bakkerijen met lunchrooms, een Tschibo en wat gründliche Duitse damesmodezaken.
Het stelt, kortom, niet zoveel voor.
Toch kom ik er graag, zo af en toe. Vanuit de andere kant van de grens kan alles er ineens zo anders uitzien. Alsof je met het overschrijden van de landsgrens niet alleen uit je eigen land maar ook heel even uit je eigen leven stapt.
Aan de noordkant van de stad ligt, hoog op een berg, de ruïne van een kasteel. Vanuit de overblijfselen kijk je uit over de iets lager gelegen kerk, en in de verte de akkers met graan. Ik stond tussen de twee muren van de oude motte en dacht na over de afgelopen zes weken. Ik schreef met een noodzakelijkheid die ik nog niet van mezelf kende. De woorden waren misschien niet allemaal mooi of goed, maar ze waren dringend en essentieel.
Soms twijfelde ik tijdens het schrijven waar ik zelf ophield en mijn verhaal begon, soms was het verhaal bijna fysieker dan ikzelf, de fictie waarachtiger dan het echte leven.
Ik keek de diepte in, naar de kronkelende weg en de huizen die de stad vormden, de bomen en de bloeiende rozen.
En naar de horizon, waar Nederland begon.
Ik wist dat het er moest zijn, maar ik kon het niet zien.