Valentijn (13-02-2019)

Op mijn middelbare school waren er op valentijnsdag altijd rozen te koop. Die kon je bestellen bij het loketje van de congiërge waar je normaal je frisdrankmuntjes haalde, en laten bezorgen bij je geliefde.
Het waren de schaamjaren, en of niet alles in het puberleven al ingewikkeld was, kwam dit er ook nog eens bij. Zo was het bezorgen van de rozen een vreselijk ongemakkelijke toestand. Tijdens de gortdroge aardrijkskundeles kwam iemand binnen die de rozen ging uitdelen, je wilde er natuurlijk niet bij zitten alsof je iets verwachtte en bij iedereen die er een kreeg moest je een gezicht trekken waaruit bleek dat je het diegene enorm gunde. Dat was zelden zo.
Er waren altijd meisjes die een hoop rozen kregen, dat waren de meisjes met getoupeerde haren en blauwe oogschaduw die in de pauzes gearmd naar de WC gingen en die ik in de zomer wel eens zoenend met een jongen op het grasveldje zag liggen. Het waren nooit de knappe, frisse jongens waarmee ze zoenden, maar de brutale, uit de klei getrokken slungels met een grote mond. Dan zag ik die tongen demonstratief in elkaar verstrengeld en dan dacht ik: ik ga nog liever dood dan dit.
Ik was stil en verlegen en meer het type van de ongelukkige liefde, hoe onbeantwoorder hoe beter, en ik had een amourette opgevat voor de morsige leraar Frans. Niet omdat hij onder zijn slobberige trui heimelijk heel aantrekkelijk was, maar omdat ik van Frans hield, en feitelijk was dat het enige dat me in hem aantrok: hij kon zo verrukkelijk Frans spreken.
Hoe dan ook. Ik weet niet wat me in die dagen erger leek: geen roos krijgen of wel een roos krijgen. Beide opties waren even gênant. Als je er geen kreeg was dat een bevestiging van je ongeziene, impopulaire bestaan, kreeg je er wel een dan moest je daar wat mee, op zijn minst de gever bedanken, dat leek me vreselijk ellendig. De hoop in de ogen van zo'n jongen, en dat ik die moest stukslaan.
Of ik ooit een roos heb gekregen?
Nee.
Het was het beste voor iedereen.