Studenten-memoires (28-08-2017)

Diep in het schrijfproces voor boek2 moet ik vaak denken aan de tijd dat ik aan mijn afstudeerscriptie werkte. Ik herinner me mijn studentenkamer waar ik een winter lang met de tanden op elkaar doorjakkerde om alles op tijd af te krijgen. Eerst nog op Hoogeveldt, later in een tochtig hoekhuis in Nijmegen Oost, hoge ramen, enkel glas, een mysterieuze schimmel die in een van de muren zijn intrek had genomen en die van geen wijken wist. Ik schreef met twee paar wollen sokken over elkaar aan en een dik vest, aan een wankel bureautje. Naast me hing een Kuifje-poster, op mijn bed lag een kleed van het Waterlooplein.
Bang om mijn zorgvuldig getypte tekst kwijt te raken, sloeg ik mijn werk op drie verschillende diskettes op. Soms mailde ik het ook nog eens naar mezelf, daarvoor fietste ik dan naar de computerruimte in het Erasmusgebouw, want inbellen via de telefoonlijn in huis duurde te lang. Of het bestand was te groot, dat weet ik niet meer.
Ik deed een onderzoek naar intertekstualiteit, nog steeds een van mijn hobby's, en naarmate het einde naderde, stierf de roep van het wilde studentenleven langzaam weg. De nachten in Dio of Café de Fiets werden schaars, het leek alsof ik, als ik er nog wel eens kwam, om me heen keek met een andere blik.
Zo gaan die dingen blijkbaar.
Ik zocht hem weer eens op, de scriptie, in een doos in een kastje, ver weg op zolder, onder een laag stof lag hij. Intertekstualiteit en eenduidigheid. Een negen kreeg ik ervoor, en ik had daar misschien destijds best wat trotser op mogen zijn dan ik was.
Er is niet veel anders met vijftien jaar geleden, soms lijkt het alsof er geen leven als communicatie-adviseur en illustrator tussen heeft gezeten. De omstandigheden zijn wel beter; geen schimmel, geen kou, geen diskettes, dubbel glas. Alleen het schrijfvest. Dat is gebleven.