Station Veenendaal De Klomp (16-02-2018)

De vlakke weilanden waren donker en onzichtbaar maar vlak naast het spoor stond een stalletje. Er hing een lamp boven de ingang waardoor de geit die in de deuropening stond goed zichtbaar was. Ze keek naar de stilstaande trein waarin ik zat.
De wisselstoring op mijn traject sleepte al de hele dag door, het was laat, ik was moe en leunde met mijn hoofd tegen het koude raam. En nu was daar dus die geit.
De ogen van het beest leken rechtstreeks op me gericht, dat was natuurlijk niet zo, maar zo voelde het wel. Ik probeerde me voor te stellen wat de geit dacht en ik wist bijna zeker dat ze medelijden voelde met mij, met ons, de mensheid. In die ijzeren cocon samengeperst tot een worstje.
Ik vroeg me af waarom ik eigenlijk in die trein zat en wist het ineens niet meer.
Die ochtend had ik het nog wel geweten, ik was vroeg vertrokken en had research willen gaan doen voor mijn tweede boek, in Leiden. Door de ellende op het spoor was ik niet verder gekomen dan Utrecht, waar ik in de Dom was geweest en een kaarsje had aangestoken en mooie, waardevolle gesprekken had gevoerd met mijn reisgezelschap.
Toen ik na de lange dag terug wilde naar het zuiden was ik per ongeluk in de verkeerde trein gestapt en stond ik ineens op station Veenendaal De Klomp. (Ik weet nooit zo goed of dat aan mij ligt, maar ik doe dat vaker. Zo stond ik laatst nog in Helmond omdat ik ergens vergeten was om over te stappen.
Helmond ja.)
Weer terug op Utrecht Centraal had ik dan eindelijk de juiste trein en nu stond ik dus stil en werd ik bekeken door een traag herkauwende geit in het gele, doorregende lamplicht van een oude stal.
Waarom?
Ik wist het niet.