Rijglaarsjes (02-02-2016)

Het was koud, altijd. Opgevroren sneeuwresten op de stoep, ik wreef erover met de punt van mijn lompe winterschoenen. Over mijn carnavalskostuum droeg ik een moeizame, grijze jas, een oude. Ik was verkouden, er liep snot uit mijn neus, ik wilde wel een zakdoek pakken maar dan zou ik ook mijn schmink wegvegen. Ik haalde mijn neus op, de geur van vette crême, en in de verte van verschaald bier. Blikkerige muziek die iets in mijn borstkas deed trillen, een tractor met de prinsenwagen erachter. Hoog op het achterste deel de prins en zijn adjudanten, de raad van elf en de dansgarde op het lage stuk, achter een hekje. De dansmarietjes hadden een roze gezicht en gestifte lippen, korte rokjes, hun lange, rechte benen in onzichtbare panty's. Aan hun voeten rijglaarsjes, hoog, rank en smetteloos wit. Sommige van hen dansten en gooiden snoep en confetti, de wagen deinde. De meesten keken in de verte, hun ogen in een landerige, pruilende blik.
Tot op heden kan ik niet naar meisjes in rijglaarsjes kijken zonder de vlinderige, jeukerige jaloezie van toen.