Pimmetje (12-09-2018)

Er zat een duif op het schoolplein, een troepje kinderen stond er opgewonden omheen.
'Hij kan niet vliegen!'
Ik bekeek het beestje, een tortel. Een lamme vleugel had hij. Zenuwachtig rende hij rondjes door de zandbak. 
Van alle dieren ben ik het gekst op vogels. Ik weet niet goed waarom. Door de veren misschien, of de oogjes, of het feit dat ze weg kunnen vliegen.
Vroeger had ik een tamme eend, die kon niet zwemmen. Hij sliep soms bij me in bed. Eenden hebben een warme snavel, er is weinig zo aangenaam als de snavel van een eend in je nek voelen tijdens het wakker worden. Ontelbaar kippenkuikens heb ik grootgetrokken, en duivenjongen. Ooit was ik een duivenjong kwijt waar ik weken lang elke nacht mee in de weer was geweest, hij was uitgevlogen en niet teruggekomen. Toen vond ik hem, liggend naast de heg, twee gaatjes in zijn rug, dood. Gepakt door een sperwer die zijn prooi kwijt was geraakt. Het was een vredig gezicht, maar wel een beetje zonde van al mijn werk.
De bel ging, de kinderen renden naar hun juffen en gingen in de rij staan. Ik greep de duif  en zette hem in mijn fietsmandje. Toen ik over het spoor fietste hupte hij even omhoog en keek me verwijtend aan.
De eerste uren zijn kirtiek, als zo'n beest niet wil eten is het einde verhaal. Maar Pimmetje at. Hij sliep in een kartonnen doosje naast de hond en soms wandelde hij even door de kamer.
Inmiddels zijn we een paar dagen verder, de vleugel is genezen, soms vliegt hij een kort stukje. Zijn favoriete plekje is bovenop de televisie.
Nog even.
Dan zet ik hem weer buiten.