Missen (09-04-2020)

'Ik heb een gek kuchje,' zei ik.
'Je bent niet ziek,' antwoordde W.
'Het is toch een gek kuchje,' zei ik weer.
Ik hoestte even om het te demonstreren.
'Lieverd, je hebt het virus niet.'
'Oh.'
Ik wéét dat het de jaarlijkse hooikoortsbenauwdheid is, maar ik ben er nu toch niet helemaal gerust op.
Ondertussen, na bijna een volle maand in quarantaine, begint het missen toe te slaan. De eerste weken waren een emotionele brij van onrust en bezorgdheid, nu dobber ik op open water waar de afstand van wat wezenlijk is helder wordt.
Er marcheert een trekkerig gevoel door mijn lijf en leden. Het is niet zozeer de vrijheid die ik mis, uiteten, of door een leuke stad slenteren, al kan ik soms best een beetje melancholisch denken aan een biertje op een terras of aan een zondagochtend op der Wiese bij de zeilhaven. Het zijn de mensen die me beginnen te ontbreken, het voeren van een echt gesprek en elkaar goed kunnen aankijken.
De jongste wilde na de eerste week niet meer beeldbellen met haar klas, ze had er razendsnel een hekel aan gekregen. Ik begreep wat ze voelde, de aanwezigheid wel zien maar er niets mee kunnen. Het helpt het missen niet, het maakt het juist erger. Als ik tijdens het facetimen weer eens naar de kinnen van mijn ouders zit te kijken raak ik soms kribbig, dan wil ik gewoon even samen door de wijngaard lopen en me weer volledig onbewust zijn van dat het er ooit onheil zou kunnen komen.
Elkaar spreken houdt meer in dan met elkaar praten. Alsof er om een fysiek gesprek een dampkring hangt, een schil waarin meer gezegd wordt dan woorden alleen.
Dat is wat ik mis.