Maandagochtend in de stad (21-06-2016)

Ik hou van steden in de ochtend, liefst maandagochtenden. Soms fiets ik heel vroeg door mijn eigen stad, op weg naar iets, een afspraak, iemand, langs het plein, waar ze de terrassen nog opbouwen, etalageruiten worden gewassen, het is nog stil. Er zijn nog geen winkelende mensen, nog geen toeristen. Een stoepje wordt geschrobd, in een portiekje rookt een gapende jongen een sigaret. De mensen die er lopen haasten zich, ze moeten naar hun werk. Een tas onder de arm, snel tikkende hakken op de kinderkopjes. Het geeft me het gevoel dat ik erbij hoor, dat ik er onderdeel van ben.
Vorige week was ik op een vroege maandagmorgen  in Amsterdam. De mensenstroom was nog niet op gang gekomen, hier en daar liep een enkele Italiaan met rolkoffertje en glimmende jas, maar de straten waren vrij. In mijn tas zat mijn manuscript, ik had een overleg, en heel even leek het alsof Amsterdam ook een beetje van mij was. Ik hoorde bij de mannen van de gemeente die de straat schoonmaakten, bij de trambestuurder, bij de restauranteigenaar die het zonnescherm alvast naar beneden liet.
Op vroege ochtenden is de stad voor hen die er moeten zijn, die een doel hebben. Voordat ze ten ondergaan in de massa van de rondkijkers en de schuifelaars, de vrijblijvenden. Die straks weer vertrekken, hun buiken vol, hun tassen vol, die de stad hebben geconsumeerd en verteerd, maar die niets hebben achtergelaten.