Lolligheid (18-04-2020)

De lolligheid is er wel af, denk ik de afgelopen dagen vaak.
Niet dat de situatie ooit lollig is geweest, maar er was zo'n gevoel van: we doen dit, we zetten met z'n allen lekker de schouders eronder. De vergrendeling als een project dat we wel even onder handen zouden nemen.
In de eerste weken zetten we een badmintoncompetitie op in de tuin, maakten plannen om de puppy kunstjes te leren, ik bedacht ambitieuze knutselideeën voor de kinderen, we hielden onszelf enorm lekker bezig en vonden dat we het echt fantastisch deden allemaal.
Maar na vijf weken zijn we klaar.
De badmintonrackets liggen in de schuur, Wiesje wil geen kunstjes leren maar in haar eentje de tuin omgraven, de knutselideeën zijn vastgelopen in lethargische weerzin.
De jongste is het meest sociale diertje van ons vieren, soms zit ze stilletjes te huilen.
'Ik wil mijn vriendinnen knuffelen,' zegt ze dan.
Dan pak ik haar vast en aai over haar hoofd maar ik weet niet wat ik moet zeggen. 
Op zo'n momenten voel ik me tekortschieten, en weet ik niet meer wat het juiste is om te doen.
Bij mijn gehandicapte tante op de afdeling, er wonen inclusief zijzelf drie mensen, had een van de cliënten symptomen. Snot en koorts, er werd acuut getest, de uitslag zou een paar dagen later komen.
'Ik heb het nog niet tegen iemand in de familie durven vertellen,' zei mijn moeder.
Ze is het eerste aanspreekpunt vanuit de familie voor de zorginstelling en had de hele nacht niet geslapen van het nieuws.
De test bleek negatief, we haalden opgelucht adem, ook al zeurt onder de oppervlakte het besef dat zo'n uitslag niet zaligmakend is, en het gevaar bovendien hoe dan ook op de loer ligt.
Het schouders eronder zetten is voorbij, het is een huiverig afwachten geworden.