Konditorei (06-03-2017)

De klapdeuren van de Duitse konditorei piepten traag en lang, de oude man schuifelde naar binnen. Zijn zware jas zat veel te ruim, op een manier waarop het hoort, zo dragen oude mannen hun kostbare wollen jassen nu eenmaal. Zijn schouders waren gebogen, zijn gang sloffend. Hij ging zitten aan het tafeltje tegenover het onze en bestelde met een trillende vinger iets te drinken.
Ik zag zijn ogen afdwalen, ze waren felblauw, haast onnatuurlijk. Het lichaam flets en vervaagd in de jaren naar de ouderdom, maar de ogen nog scherp, het leek niet te kloppen. Hij keek naar mijn kleine neefje, mijn zus gaf hem net een stukje brood, zijn schelle stemmetje klonk door de zaak . De blik van de oude man werd zacht, weemoedig, het kijken ging over in staren. Ik vroeg me af waar hij aan dacht, zijn jeugd misschien, als driejarig jongetje had hij aan de hand van zijn moeder gelopen, hier in dit kleine grensstadje met het gele raadhuis, hij herinnerde zich hoe zijn krullen op waren gewaaid in de wind, de kinderkopjes onder zijn sandalen. Of misschien dacht hij aan zijn kleinkinderen, die nu alweer groot waren, maar vroeger had hij ze meegenomen naar de oever van het riviertje aan de rand van de stad, dan speelden ze op de rotsblokken en liet hij ze de watermolen zien.
De serveerster bracht hem zijn lunch, zijn blik ontwaakte en verlegde zich naar zijn bord. Zorgzaam legde de kelnerin een hand op zijn schouder, wenste hem smakelijk eten. Ik trok mijn jas aan. Terwijl ik naar buiten liep, groette ik hem. Geen woord, alleen zwijgen. In de vitrines van de ouderwetse bakkerijwinkel lag het Duitse gebak in fel licht te wachten, botercrème, fruitgelei, nougatine, opgetast in hoge taarten. Een weemoed naar iets dat ik niet kende viel over me heen, of misschien kende ik het wel, maar wist ik nog niet wat het was.