Groeten uit 1989 (10-05-2020)

Als kind verstopte ik vaak briefjes. Ik schreef ze aan mezelf of aan anderen die ze zouden kunnen vinden in de toekomst, kleine afgescheurde reepjes papier waarop ik in een paar regels iets schreef over het moment, met de datum erbij. Ik stopte ze in boeken, achter plinten, onder losse hoekjes vloerbedekking, in kasten, blikjes en doosjes. Als mijn moeder er laatst niet een had gevonden, was ik het misschien al lang vergeten, maar een poos geleden kwam ze met een briefje uit 1989 aan.
Ze had het gevonden in een oud wandkleed, nog door mijn oma gemaakt, onder een opgenaaid stukje stof had ik het gepropt. Een regeltje over wat ik op dat moment aan het doen was en de groeten uit '89 erbij.
Ik heb toekomst altijd een ingewikkeld begrip gevonden. Blijkbaar was ik op twaalfjarige leeftijd wel bezig met het idee dat er een toekomstige ik zou zijn, die om zichzelf en haar briefjes uit het verleden zou moeten glimlachen. Maar als het ging om een concreet perspectief heb ik nooit geweten wat ik daarmee aan moest. Als mensen vroegen wat ik wilde worden later, leek me dat een rare vraag, ik kon me niet voorstellen dat ik me ooit zou gaan vastleggen op één ding, alsof de toekomst uit heel veel mogelijke lijnen bestond en ik weigerde er één specifieke te kiezen. Bij het kiezen van één lijn vergooide ik immers de kansen op een ander mogelijk leven, dat misschien ook wel de moeite waard was. Het was misschien ook wel een onvermogen om te zien hoe ik op het toekomstige moment zou zijn, hoe ik me dan zou voelen, wat ik dan wilde.
Ook nu de toekomst in continu veranderende vorm op de deur klopt heb ik daar last van. Soms denk ik: ik zou misschien mondkapjes moeten bestellen, er zal een moment zijn dat ik weer in de trein wil, dan moet ik voorbereid zijn. Maar als ik me probeer voor te stellen hoe ik zo'n ding omdoe, hoe iedereen om me heen ze zal dragen, dan wordt het beeld wazig, ik kan me er niets bij voorstellen, ook al zie ik ze overal op de sociale media verschijnen, en zie ik bij iedereen de zelfgemaakte textielkapjes al aan de waslijn hangen.
Toen mijn moeder me het briefje uit 1989 gaf las ik het een beetje weemoedig, en ik dacht even: wat jammer dat ik dat niet meer doe. Het was zo'n grappige gewoonte.
Pas later realiseerde ik me dat ik het natuurlijk wél nog steeds doe, weliswaar niet met afgescheurde reepjes, maar ik schrijf nog steeds briefjes voor mijn toekomstige ik en voor iedereen die ze ooit zou kunnen vinden, nu en in de toekomst. 
En ik verheug me op tien jaar van nu, als ik de stukken die ik in deze periode schreef terugvind en lees wat ik nu voel en meemaak.