Friet (30-04-2020)

In de eerste week van de vergrendeling zag ik soms voor me hoe de toekomst eruit zou gaan zien. Dan stelde ik me voor hoe er rijen zouden staan voor de ingang van de supermarkt en de bakker en dan gruwelde ik van afgrijzen. In de rij moeten staan voor eten was voor mij het toonbeeld voor de ontwrichting van de maatschappij. Naast angst voor het virus was dat een van mijn grootste angsten: ontwrichting en daarop volgend het verlies van beschaving.
Als ik nu, na al die weken, wel eens een blokje om ga en de rij zie staan voor de frietkraam, denk ik: dit is het dus, zo ziet het eruit. Het is dan wel voor friet, maar toch.
Het valt me mee, het beeld went denk ik, al pieker ik er niet over om zelf aan te sluiten. (Ik heb daardoor al zes weken geen friet gegeten. Het begint nu een beetje te knagen.)
Toen ik vanochtend het bericht las over de overbelaste uitvaartcentra in New York kromp mijn maag weer samen zoals in de eerste vergrendelingsweken. De lijken passen niet meer in de mortuaria en in Brooklyn staan vrachtwagens vol doden, de omwonenden hadden last van de stank.
Dit is het dus, verlies van beschaving. De lijn is dun en vaak onvermijdelijk. We kunnen ons als moderne mens op de borst kloppen om onze civilisatie, ons hoge denkniveau, onze ontwikkeling, maar alles wat we in razend tempo opgebouwd hebben, brokkelt net zo snel weer af ten tijden van een crisis. De mens is een dier en als het gaat om elementaire zaken, leven en dood, voedsel, liggen de middeleeuwen altijd op de loer.
Ik heb de afgelopen jaren veel nagedacht over wat ik toe te voegen heb aan de wereld. En de conclusie is denk ik: niets. Net als iedereen. We leven en we sterven en daar tussen in is er met een beetje geluk wat liefde, en dat is dat. Zoals het in de prehistorie al was en zoals het altijd zal zijn.
Dat is niet erg, het is misschien zelfs wel troostend.