Engelenveer (13-09-2020)

In de streek waar ik woon wordt nog wel eens gezegd dat als je een wit donsveertje vindt dit een veer is die uit een engelenvleugel is gevallen.
Begin juni kantelde er iets in mijn leven. Niet zozeer in praktisch opzicht, ik rondde in die dagen net mijn tweede boek af, ik was voor het eerst na mijn depressie weer aarzelend optimistisch over mezelf en de toekomst en of het nu over mijn leven, mijn beeldende werk of mijn schrijven ging, ik vatte al mijn taken met een nieuw herwonnen stevigheid bij de horens. De wereld was weer opgerezen uit de nevel, als een ontdekkingsreiziger liep ik rond en verwierf steeds meer vaste grond onder mijn voeten.
Ergens midden in deze nieuwe alledaagsheid kwam er het bericht dat een dierbaar familielid ernstig ziek is. Ziekte komt nooit gelegen, maar deze ziekte, bij deze precieze timing, deed mij en alle betrokkenen happen naar adem over zoveel onrechtvaardigheid. Mocht er een wezen zijn dat de scenario's bedenkt voor alle mensen op aarde, dan heeft hij hier flink de plank misgeslagen.
De eerste weken bracht ik door in shock and awe, slecht nieuws stapelde zich op slecht nieuws, ik probeerde mijn hoofd om zoveel onheil te wikkelen, het lukte nooit, 's nachts lag ik met grote ogen in het donker te kijken, me af te vragen hoe zoiets in hemelsnaam kon gebeuren. Ik dacht lang dat de grootste vijand in zo'n situatie het verdriet was dat je met opengesperde bek op komt vreten, of de bezorgdheid die je hersencapaciteit inneemt als een dataslurpende app. Maar in dit geval was de grootste vijand de machteloosheid. Ik kon niets doen, ik mocht niets doen.
Op een zaterdag eind juni besloot ik naar de kapel aan de andere kant van de stad te rijden. Daar stak ik een kaars aan. Na het aansteken van de kaars ging ik even op een van de houten banken zitten en keek naar het Mariabeeld dat in de vitrine voor me stond, ik huilde. Toen ik weer buiten kwam scheen de zon, ik liep naar het kleine bos achter de kapel, daar is een kronkelend pad gemaakt dat langs de veertien staties van de lijdensweg van Christus voert. Veertien witstenen beeldhouwwerken tussen de bomen, die uiteindelijk leiden naar een grote open plek, rijen bankjes die uitkijken op een altaar met daarachter een calvarieberg. Op mooie zomerdagen wordt hier de mis gevierd.
Sinds die zaterdag drie maanden geleden ben ik elk weekend teruggegaan naar de kapel, elk weekend stak ik een kaars aan en elk weekend liep ik een rondje in het bos. Het bestreed de zuigende machteloosheid en het was het enige moment in de week dat ik me door zorgen en verdriet liet verzwelgen, heel even, om me daarna vast te grijpen aan hoop. Als ik iets kon betekenen in deze situatie dan was het de hoop bewaren, hem met mijn handen te omhullen en te zorgen dat hij niet zou uitdoven.
Voor haar, voor mij.
Afgelopen zaterdag was ik er weer.
Bij de grote gietijzeren poort die de ingang van het bos markeert vond ik een wit donsveertje. Even verderop lag er nog eentje. En nog een. Over het hele, lange, bemoste pad door het bos, langs alle veertien staties, lagen witte donzen veertjes. Soms wel vijf bijeen, dan weer een paar meter niets, en dan weer een paar.
Ik overwoog of ik misschien een goddelijke prijs had gewonnen, na vijftien kapelbezoeken beloont de voorzienigheid je met een pad vol veren, ik vroeg me af wat ik zou krijgen bij vijftig bezoeken, ik hoopte op een brandende braamstruik.
Bij de vierde statie lagen er uitzonderlijk veel veren, ik bukte en raapte er een op, streek er even mee langs mijn wang, zulke veertjes zijn zo zacht dat je hun aanraking niet voelt, je zou bijna denken dat ze niet echt bestaan.
Daarna stopte ik hem in mijn tas en nam hem mee. Ik hoop dat het waar is wat er gezegd wordt, dat het een engelenveer is. En dat er gewaakt wordt.