Wandelberichten 4 (29-07-2018)

Ze had wit haar toen ze geboren werd, mijn jongste dochter. Ik heb daar lang verwonderd naar liggen kijken voordat ik het geloofde, zo'n spierwitte baby. Maar dat is lang geleden, en vandaag liep ik met haar langs de pasgemaaide korenvelden tussen Asselt en Beesel.
'Mijn haar heeft dezelfde kleur als het stro,' zei ze, wijzend op de stoppels.
En dat was zo. De kleur van goudgeel koren. Alleen aan de randjes bij haar voorhoofd zie je nog het wit van acht jaar geleden.
Zo gaat dat dus.
We liepen langs de Maas op. Op de meeste plekken kun je het water niet zien, er staan dichte struiken voor, maar je ruikt het wel, en je voelt dat de wind die vanuit het Westen waait frisser is. Ik loop hier zelden, ook al is het prachtig, de graan- en maisvelden, het stoffige pad, maar ik heb een hekel aan de Duitsers die hier de inhammetjes weten te vinden, stiekem vuurtjes komen stoken aan de oevers en al hun troep achterlaten. Maar nu waren er geen Duitsers, we zagen alleen een modderige boer die met zijn sproeiinstallatie stond te knoeien.
Bij het bruggetje over de Swalm keken we hoe het water uit de kleine rivier de Maas instroomde, ik heb een fascinatie voor riviermondingen. Het einde van een stroom, hoe het water van de een opgaat in de ander, ik kan daar heel lang over nadenken. Nog een stukje liepen we door, even verderop bij de dode Maasarm zat een ganzenfamilie. De ouders dreven op het water, een schuin oog op ons gericht, de ganzenkuikens stonden op het drooggevallen eilandje. Af en toe snaterden ze wat, het geluid klonk hol hier in de luwte, het stille water omzoomd door het hoge bos.
'Is het nog ver?' vroeg mijn dochter.
Ik keek de akkers over, ongemerkt hadden we verder gelopen dan ik dacht, het was warm.
'We kunnen proberen of we op blote voeten de Swalm over kunnen steken, dan snijden we een stuk af,' zei ik, en ik liep naar de waterkant.
Maar het riviertje was hier diep, de oever van zuigende blubber. Normaalgesproken ligt ze altijd als eerste in welk water dan ook, maar nu keek ze me bedenkelijk aan.
'Toch maar niet,' zei ze.
Ik schudde mijn hoofd. Toch maar niet.
Zwijgend liepen we terug, zij een eindje achter me, zoals ze graag loopt, altijd achteraan, haar ogen peinzend naar de grond gericht, een hand om het zakmes dat om haar nek bungelt.
Net voor we weer in Asselt kwamen, liepen we opnieuw langs het pasgemaaide korenveld waar ze me had gewezen op de stoppels. Het waaide ineens, ze deed haar armen wijd en ging op haar rug in het veld liggen. Haar haren gingen over in het stro.
Ik moest aan een sprookje denken, al wist ik niet precies welk.