Der Nase (16-03-2020)

Op de televisie was een jonge vrouw die genegenheid had opgevat voor een man die nogal out of her league was.
'Ik snap niet dat ze hem leuk vindt,' zei mijn oudste dochter.
Ze zei het met afgrijzen in haar stem, en even later nog een keer:
'Waaróm vindt ze hem leuk?
Uiterlijk is een groot goed als je vijftien bent.
Met mijn ogen op het scherm gericht zei ik het zonder nadenken.
'Vanwege zijn neus.'
Ze fronste haar wenkbauwen. 
'Wat is er dan met zijn neus?'
Het was een flinke neus.
'An der Nase eines Mannes erkennt man seinen Johannes,' zei ik.
Ik hou helemaal niet van dat soort onzinnigheden, maar dat van de neus was eruit gefloept en nu kon ik niet meer terug.
Mijn dochter zuchtte.
'Alwéér Rilke zeker.'
'Eh ja,' zei ik toen maar.
Het zijn vreemde tijden. Toen ik de dochters gisteren vertelde dat de scholen echt dichtgingen leken ze het niet zo goed te begrijpen. Het was alsof ze dachten dat ik het verzonnen had, de avond verliep kriegel, tot ik het zat was en iedereen naar bed stuurde. Zelf bleef ik nog wat zitten, me niet zo goed raad wetend met alles.
Het was na elven toen ik naar buiten liep, het was stil en heel donker, ik tilde de hond op en hield haar tegen me aan, en ik keek omhoog. Het leek alsof de sterren al lang niet meer zo fel waren geweest. En ik dacht: dit is het nu dus.