Broek

De dag begon fleurig. Met verse broodjes bij het ontbijt en een knisperfris gemoed. Ik liet de hond uit en zag het toen ik de hoek om liep. Er lag een broek op de stoep. Een zwarte, een herenpantalon. De hond liep er met een grote boog omheen, ik stelde me voor dat ze rook dat de broek niet pluis was. De geur van onraad als een aura eromheen, misschien wel van iets misdadigs. Je wist maar nooit. Ik liep er langs en keek uit mijn ooghoeken naar de zwarte hoop. Het liefst wilde ik uitgebreid neerhurken, welke maat, welk merk, er zat misschien wel een naamlabel in. Hem optillen aan de broekband en hem dan met de armen voor me uitgestrekt bekijken. Maar ik deed het niet. De dunne stof fladderde stil in de wind, de natte stoeptegels, het begon te motregenen. Later, thuis, vond ik het stom dat ik de broek niet even had opgeruimd. Ik deed mijn best een reden te verzinnen die me tot een vriendelijk mens maakte (misschien had ik haast, misschien liep er verderop een man rond in zijn slip op zoek naar zijn pantalon, misschien kon ik andermans broek niet zomaar in de prullenbak gaan gooien) maar alle redenen bleken bij nadere overpeinzing leugenachtige smoezen. Ik was geen vriendelijk mens, eerder raar, egoïstisch misschien zelfs. De broek kroop langzaam en zwart in mijn frisse gemoed en sprak de rest van de dag kwade woorden.