Bert en Ernie (30-06-2019)

Toen ik heel jong was woonden we naast een gezin met twee broertjes. Ze deden me altijd aan Bert en Ernie van Sesamstraat denken, dat was mijn referentiekader in die dagen. De ene was serieus en beleefd, en hij had een langwerpig hoofd, de ander was een beetje brutaal en vrolijk en had een rond hoofd. 
Ik kwam er veel over de vloer als klein meisje, de buurvrouw noemde ik tante. Ik herinner me haar huis tot in detail, in haar zonovergoten woonkamer stond een groen met oranje bankstel, een televisie van Philips want daar werkte de buurman, twee communiefoto's in de kast. Van ons eigen huis kan ik me alleen het behang op mijn slaapkamer voor de geest halen, daar drukte ik iedere avond mijn hoofd tegenaan om te proberen het patroon van kriebelige motiefjes te ontcijferen.
Soms mocht ik mee naar tantes bovenverdieping, daar rook het lekker, een bed met een glanzende sprei. Op het kaptafeltje bij het raam stond een juwelendoosje waar ik graag in keek. 
'Hier kind,' zei ze, het was in de zomer, ik had blote benen en droeg ajour kousen die in mijn vel sneden. Ze drukte me een broche in mijn handen.
Ik kon niet geloven dat iemand me zomaar zoiets moois gaf.
Op een dag hadden Bert en Ernie wielrenfietsen gekregen, ze waren er druk mee bezig op de oprit, ik zat erbij en keek ernaar. Fietsen op de kop en draaien aan de trappers om te kijken hoe de ketting over het tandwiel rolde.
Het waren de vroege jaren tachtig, overal stond de Tour op, de winst van Joop Zoetemelk hing nog in de lucht. Met mijn vader was ik een paar weken eerder naar een fietsenwinkel gegaan om voor mij ook een wielrenfiets te kopen, maar de fietsenmaker keek naar mijn blonde vlechten en schudde grinnikend zijn hoofd.
'Zet haar het stuur maar andersom, dan heeft ze ook een renfiets,' zei hij.
En dus schroefde mijn vader bij thuiskomst het stuur van mijn rode kinderfiets en zette het er ondersteboven op. 
Jaloers keek ik naar de glimmende fietsen van Bert en Ernie, lapjes werden met spuug bevochtigd en het frame werd met veel precisie gepoetst.
'Welke vind je mooier, Octavie?' vroeg Bert aan me, de zijne was goudkleurig, het paste bij hem. Een beschaafde kleur.
'De mijne, toch?' zei Ernie. Die was metallic blauw.
Ik mocht de jongens zo graag dat ik ze allebei niet wilde teleurstellen.
'Ik vind ze allebei even mooi,' antwoordde ik.
De tijd verstreek, Bert ging naar de middelbare, ik kreeg een zusje. Op het moment dat ik dacht dat het behangpatroon op mijn kamer niet ondoorgrondelijker kon, verhuisden we naar de andere kant van het dorp. Daar drukte ik mijn hoofd tegen mijn nieuwe slaapkamermuur vol nog veel moeilijker te begrijpen granol-figuren.
Tante is vorig jaar gestorven, Bert ben ik volledig uit het oog verloren, maar Ernie kom ik nog wel eens tegen. Laatst hadden we een gesprek over vroeger. Hoe we over de weg konden schaatsen toen het een winter heel koud was, de wonderlijke bewoners van het kleine straatje achter de molen, en dat alles toen zo anders leek dan we nu beseffen.
'In mijn hoofd ben je nog altijd Ernie,' zei ik.
Daar moest hij om lachen.
'En ik vond jouw fiets het mooist.'
'Dat wist ik,' zei hij.