Wiesje (02-03-2020)

Ik rij regelmatig van Midden- naar Noord-Limburg en dat doe ik dan altijd over de binnendoorweggetjes. Dat komt door mijn snelwegangst, die je tegenwoordig gewoon mag benoemen want Matthijs en Erik hebben het ook, maar ook omdat ik het prettig vind. De stille kloosterdorpjes die zich aaneenrijgen, de velden, de ontelbare rotondes. Ik mag dan wel bang zijn voor de snelweg, rotondes vind ik wél leuk. Ik ken ze allemaal uit mijn hoofd, de rotonde met de draak, de rotonde met de klok. Dat is geen echte klok maar een kunstwerk van ijzer waarbij de kunstenaar de wijzers op vijf voor drie heeft vastgezet. Hoe laat ik er ook langsrijd, op deze rotonde is het altijd vijf voor drie. Dat vind ik fijn, ik vind vijf voor drie een mooie tijd, van mij mag het de hele dag vijf voor drie zijn.
Niet ver voorbij de rotonde met de klok loopt de weg een stuk parallel met de Maas, die daar een flauwe bocht maakt. Rivierbochten vind ik prachtig, ze geven hoop en vertrouwen, en deze bocht is een van de mooisten van het land. (Echt waar, ga maar kijken.)
Vandaag reed ik er weer. De Maas was uit, zoals dat hier heet. Breed stroomde ze over het land en het zag er ferm en vastbesloten uit, zo moest het zijn.
Ik dacht aan thuis, waar een klein zwart-wit mormeltje op me wachtte. Haar snuitje dat ze in mijn hals zou leggen als ik haar straks zou aaien, een roze tong, mollige puppypoten.
Wiesje heet ze.
En zo moest het zijn.