Het waarom van het schrijven 1 (04-05-2016)

Waarom schrijf ik?
Ik stelde mezelf deze vraag in de afgelopen tijd. Het werd een zoektocht met meerdere uitkomsten. Laat ik het antwoord opdelen in twee delen.

1. Voor mezelf, primair
a. Om te bezitten
b. Om te beleven

2. Voor anderen
a. De publieke dimensie
b. Overdracht

Het bezitten 
De weg in de richting van de Oostelijke mijnstreek is recht, zo recht mogelijk, dwars door een stukje Duits grondgebied: de Selfkant. De Selfkant is een fascinerend gebied, net na de oorlog werd het door Nederland geannexeerd als schadevergoeding voor de oorlog, en pas in 1963 kwam men erachter dat zo'n annexatie niet werkte, de inwoners bleven immers Duits, hoe hard we ook deden of ze bij ons hoorden. De regio kwam weer onder Duits bestuur. De weg, aangelegd door Nederland in de annexatieperiode, bleef echter van Nederland, een lang, recht stuk Nederlands asfalt door Duitse akkers en weilanden. 
Als ik over deze weg rijd , de eindeloze rotondes, onder viaducten van Duitse wegen door, dringt het verleden zich aan me op. Ik kijk over het licht glooiende landschap, in de verte, iets in een dal, ligt een eenzame boerderij. Op deze plek krijg ik altijd hetzelfde gevoel; het is een vage bezitsdrang, ik wil in die boerderij wonen. Heel even maar, niet écht, ik wil alleen heel even het gevoel hebben dat ik het begrijp. Dat ik de geschiedenis begrijp, dat ik dit vreemde stukje Duitsland begrijp, dat ik weet hoe de mensen zich hier gevoeld moeten hebben en nog voelen. Ik wil het van mij maken, het in eigendom hebben, het volledig omvatten. Dat is het punt waarop de schrijfhonger komt. Want door erover te schrijven kan ik erover beschikken, zoveel ik maar wil. Ik kan de kozijnen beschrijven, het ingevallen dak, de verweerde muren. Ik kan schrijven over het malse groene dal vol paardenbloemen, de hoge lucht met de jagende wolken, de zwaluwen die over de binnenplaats scheren. Over het oude echtpaar dat nog maar een van de vele kamers bewoont, en het kleine keukentje met de granieten pompbak. Ze scharrelen wat over het erf, zetten zich op het bankje voor het huis, net uit de wind, de lentezon voelt warm op hun gerimpelde huid. Ze spreken een binnensmonds dialect, ze zeggen Isch in plaats van Ich en ze hebben de wereld al lang gelaten voor wat hij is. In de verte horen ze het razen van de auto's over de Nederlandse weg, heel af en toe blikkert de zon op het metaal van een voorbij rijdende wagen, dan knijpen ze hun ogen dicht en wachten tot het voorbij is.